Search

Waarom je je taal aanpast aan je lezer (en Rutte beter bij de HEMA kan afspreken)

Updated: Jan 27

‘Waar spreken we af?’ appt mijn vader.

We gaan naar de Kunsthal en wandelen daar heen door Museumpark.


Nu nog een handige plek om af te spreken.


Ik denk na en zoek in mijn hoofd naar een locatie die mijn vader goed kent. ‘Voor het Chabot Museum?’ app ik terug.


Grappig, denk ik. Dat ik de locatie aanpas aan mijn gezelschap. Met mijn vader zal ik niet voor de Zara afspreken, maar met mijn schoonzus weer wel. Terwijl zij waarschijnlijk niet weet waar het Chabot Museum is.


Eigenlijk doe je hetzelfde als je teksten voor een website schrijft. Je verdiept je in de belevingswereld van je lezer en past de taal daarop aan.


Sommige organisaties moeten met hun taal een hele grote groep mensen aanspreken. Zoals de overheid. Zij moeten afspreken op een bekende plek, die bij zoveel mogelijk mensen bekend is. Dus niet bij het Chabot Museum, maar liever voor de HEMA of bij metrostation Beurs.


Afgelopen jaar zagen we met heel Nederland hoe de overheid communiceerde. Tijdens de persconferenties van Rutte op dinsdagavond, op de website van Rijksoverheid en in de media.


Bereiken Rutte en de Jonge wel iedereen, vroeg ik me wel eens af.


Het toppunt vond ik de aankondiging in oktober, waarbij het kabinet waarschuwde voor draconische maatregelen.


Draconisch.


Dat woord moest ik googelen.


Het verwijst naar Draco, een wetgever in Athene die rond 620 voor Christus leefde.


Waarom kies je voor zo’n ontoegankelijk woord, dacht ik bij mezelf.


Het is alsof ik met mijn vader afspreek voor het Coolsingelziekenhuis dat in 1940 werd gebombardeerd en waarvan niemand meer precies weet waar het ooit stond.





0 comments